"Lo, it is nearly 350 years that we and our fathers have inhabited this most lovely land, and never before has such terror appeared in Britain as we have now suffered from a pagan race, nor was it thought that such an inroad from the sea could be made. Behold, the church of St. Cuthbert spattered with the blood of the priests of God, despoiled of all its ornaments; a place more venerable than all in Britain is given as a prey to pagan peoples."
-Bisschop Alcuin, Brief aan Ethelred, Koning van Northumbria (fragment)
Het is een bekende gebeurtenis uit de geschiedenis. Op 8 juni 793 G.J.
[1] bereikte de eerste van een serie kustaanvallen uit Scandinavië het heilige eiland Lindisfarne. De wilde heidense zeerovers bleken een voorheen amper voorstelbaar gevaar te zijn voor de vredelievende monniken. Simeon van Durham schrijft in zijn
Historia Regum Anglorum et Danicorum:
"[The Vikings] came to the church of Lindisfarne, laid everything waste with grievous plundering, trampled the holy places with polluted steps, dug up the altars and seized all the treasures of the holy church. They killed some of the brothers, took some away with them in fetters, many they drove out, naked and loaded with insults, some they drowned in the sea... Het duurde zo'n vierhonderd jaar voordat Lindisfarne in oude glorie was hersteld, lang na wat historici 'De Vikingtijd' (793 - 1066 G.J.) zijn gaan noemen. In die tijd hebben vele andere aanvallen de kust van Groot-Brittannië en Frankrijk geteisterd. Vikingrovers zouden zelfs doordringen tot de Middellandse Zee in hun schrikbewind: verkrachtend, plunderend en moordend met ongevoelig enthousiasme en een onverklaarbare haat voor het Christendom.
Althans, dat is wat de kronieken ons vertellen. Verslagen uit die tijd staan vol met de gruwelijkheden van de Noormannen.
"Summa pia gratia nostra conservando corpora et custodita, de gente fera Normannica nos libera, quae nostra vastat, Deus, regna" luidt een religieuze litanie uit deze tijd:
"Our supreme and holy Grace, protecting us and ours, deliver us, God, from the savage Northman race which lays waste our realms": een van de vele mogelijke bronnen van de beruchte, korte, maar hoogstwaarschijnlijk apocriefe 'furie-litanie', (
"A furore Normannorum, libera nos Domine" – "O Heer, verlos ons van de furie van de Noormannen!"), die zo vaak wordt aangehaald in boeken en artikelen over het onderwerp. Het lijkt bijna alsof Europa uit de Donkere Eeuwen van geschiedkundige onzekerheid naar voren springt met kronieken, verslagen en brieven die de plundering van de Vikingen breed uitmeten.
Het is allemaal zo duidelijk gepresenteerd, dat het tot het midden van de twintigste eeuw meestal voor waar werd aangenomen. Het grootste gedeelte van onze geschiedenis van de Vikingen, en zelfs het hele concept van de Vikingtijd komt uit deze documenten, en de werken van voornamelijk negentiende-eeuwse historici. Het is relatief kort geleden dat revisionistische historici aan de inhoud van deze bronnen zijn gaan twijfelen. Als je er over nadenkt, zijn er sommige dingen die niet lijken te kloppen. Alcuins brieven aan de koning van Northumbria en de bisschop van Lindisfarne zijn de enige contemporaine bronnen over de aanval. Alleen al het feit dat er nog een bisschop was om aan te schrijven, ondanks de hevigheid van de aanval, roept al vragen op. Maar dan is er nog de plaats waar Alcuin de brieven schreef. Dit enige contemporaine verslag van de plundering van Lindisfarne werd namelijk door Alcuin geschreven toen hij aan het hof van Karel de Grote verbleef, in Aken, ongeveer 800 kilometer verderop. Een groeiend aantal revisionistische historici is het er dan ook over eens dat deze bron weinig meer dan propaganda is, een mening die ons noopt de grote fout te verbeteren, die eerdere historici maakten bij het proberen te begrijpen van de geschiedenis van Scandinavië en haar plaats in de wereld. Deze fout is het zien van Scandinavië als erg afgesloten van de rest van Europa. De locatie van Alcuin tijdens het schrijven van zijn beroemde brieven is namelijk om twee redenen belangrijk, en ons onjuise beeld van de Vikingen can niet los worden gezien van Alcuin's visie op de Saksen.
In 775 G.J. had Karel de Grote zich in een bloedige oorlog gestort, die erop was gericht de Saksen te verslaan en, belangrijker voor onze doeleinden, te kerstenen. De gruwelijkheden van dit conflict zijn moeilijk te overschatten. De Saksische adel stemde toe in een bondgenootschap met Karel de Grote en een serie massa-doopsels, met zijn hoogtepunt in 777 G.J., na een reeks succesvolle campagnes van Karel de Grote. De Saksen hielden zich echter niet aan hun woord, en bleven niet alleen hun eigen goden vereren, maar kwamen ook meerdere malen in opstand tegen Karel de Grote, gedurende de rest van de 8e eeuw (ze zouden pas in 804 definitief onderworpen worden). Karel reageerde genadeloos op zulke eedbraak en afvalligheid, met massaexecuties van gevangenen en door de heilige plaatsen in het bos van de Saksen te verwoesten. De Saksen begonnen op hun beurt kerken te verbranden als vergelding. Aken was Karel's uitvalsbasis voor deze oorlog, en de nabijheid van Alcuin tot dit conflict is duidelijk te zien op onderstaande kaart:
Waarom is dit van belang? Om twee redenen: Ten eerste kunnen de Saksen, noordwaards naar Denemarken en het Scandinavisch schiereiland gedreven, een van de aanstichters van de Vikingtijd zijn geweest. Belangrijker zijn echter, zoals historici als Prof. Janet Nelson hebben benadrukt, de vooroordelen van contemporaine kroniekschrijvers als Alcuin in hun beschrijving van de 'heidense rassen' en 'noormannen'. Als we er even bij stil staan is het geen wonder dat Alcuin meteen aan kerkontheiliging en moord moest denken: hij scheerde alle heidenen over één kam. Er is geen archeologisch bewijs dat de Vikingen iets meer gedaan zouden hebben dan het stelen van het goud en zilver uit Lindisfarne (en waarom zouden ze respect hebben voor Christelijke symbolen, of die zelfs kunnen begrijpen, aangezien ze in deze tijd nog heidens waren?). Er zijn geen massagraven die de op de wilde moord van geestelijken duiden, noch zijn er resten van verbranding. De voornaamste bron is Alcuin, wiens autoriteit te vergelijken is met die van een journalist die vanuit Berlijn bericht over de slag bij Stalingrad, met niet meer informatie dan 'dat er een slag gaande is in Stalingrad'. Het is erg waarschijnlijk dat Alcuin, als standvastig voorstander van de kersteningsmissie van Karel de Grote, zijn verslag in meer of mindere mate heeft overdreven. En hier moet ik de conclusie vermelden waartoe ik zelf ben gekomen in mijn onderzoek: de Vikingen waren inderdaad kustrovers en handelaars. Het woord 'Viking' kwam in de 18e eeuw in het Engels uit het Scandinavisch, waar het woord alleen mensen betekende die aan juist die activiteiten deden, geladen met Romantische connotaties (In Middeleeuws taalgebruik betekende 'Viking' piraat, in plaats van een bepaalde cultuur; toen de Vikingen hun boten lieten liggen, werden ze geen Vikingen meer genoemd). Deze Vikingen hebben echter in de loop van de tijd een bijzonder bloeddorstige reputatie gekregen, die geen basis heeft in de feiten. In het bijzonder in de Britse beeldvorming zijn de Vikingen altijd tegelijkertijd geromantiseerd en gedemoniseerd, terwijl de Scandinavische landen en later zelfs Nazi-Duitsland geschiedenis, gerucht, folklore en mythologie zouden vermengen tot een zogenaamde 'Nationaal-romantische' beweging, waardoor het allemaal nog onduidelijker werd. Aan de basis van deze grote geschiedkundige misvatting ligt, naar het schijnt, het letterlijk accepteren van niet alleen contemporaine kronieken, maar ook veel van de saga's en vroege historische studies, die allemaal een dubieuze historisch waarde hebben.
De Saga's zijn literaire werken, opgeschreven in IJsland tussen 1180 en 1400. Ze zijn grof onder te delen in vijf categorieën: Legendarische Saga's (
Fornaldarsögur), IJslandse of familiesaga's (
Íslendingasögur), en Bisschopssaga's (
Byskopasögur). Van deze vijf bieden de Koningssaga's ons de meest betrouwbare historische informatie. Met name de
Heimskringla ("De Bol van de Wereld"), een verzameling van 16 saga's van Snorri Sturluson, valt hieronder. Deze verzameling begint met een legende, namelijk het verhaal van het quasi-mythische Zweedse geslacht der Ynglingen, en gaat daarna verder in op de regeringen van meer historische Noorse monarchen, met name Olaf Haraldson, en het staat in goed aanzien als historische bron. Maar zelfs in dit werk is het soms lastig om feit van fictie te onderscheiden. Zijn historiciteit is vooral te danken aan de betrekkelijk recente gebeurtenissen die in de latere passages worden beschreven. Andere saga's, met name de
Íslendingasögur, opgetekend tussen 1220 en 1400 G.J., staan vaak meer dan 200 jaar af van de periode die ze beschrijven: het zogenaamde sagatijdperk (
sögu-öld), tussen 950 en 1050 G.J. In deze gevallen moet er getwijfeld worden aan de betrouwbaarheid van de vertellingen, ook al behandelen deze saga's meestal alleen gebeurtenissen binnen IJsland zelf, en zijn ze van weinig nut bij het bespreken van brede geschiedenis. Sommigen zijn uit zichzelf relevanter dan anderen.
Egils saga, het verhaal van het gezin van Egill Skallagrímsson en zijn nakomelingen, is bijvoorbeeld een bloederig verhaal waarnaar vaak wordt gegrepen als men op zoek is naar verslagen van Viking-gruwelijkheid. Egill was een berucht rebel en piraat, die naar het luidt zijn eerste moord op zijn zevende pleegde, en tegen het eind van zijn leven een gigantische schat aan oneervol verkregen zilver had vergaard. Een vergelijkbaar geval is de
Jómsvíkinga saga, die verhaalt over de escapades van de beruchte Jomsvikingen - bekend vanwege hun heldhaftigheid en bloeddorstige aard. De fout is in dit geval het lezen van deze saga's als typische verslagen van 10e eeuws Vikingleven. Integendeel, het is voorgesteld dat Egill's verhaal niet is opgetekend vanwege zijn herkenbaarheid, maar omdat het uitzonderlijk was, en zelfs sensationeel. Het zou net zo onlogisch zijn om te veronderstellen dat het verhaal van Dr. Crippen een Edwardiaans Britse tendens tot het vermoorden van je eigen vrouw zou weergeven. We hebben zelfs een mogelijke verklaring voor Egill's sociopathische gedrag: Jesse Byock heeft de theorie geponeerd (gebaseerd op precieze studie van de saga en later historisch bewijs) dat Egill zou hebben geleden aan de ziekte van Paget, een botaandoening die hem voortdurend een zwakke pijn zou hebben opgeleverd. Wat de
Fornaldarsögur betreft, moge het duidelijk zijn dat de naam al aangeeft hoeveel historische informatie erachter schuilgaat. Niettemin werden ze, (vooral) in de tijd van de opkomende Nationaal-Romantiek in Scandinavië, veel bestudeerd en geaccepteerd. Tegenwoordig worden ze, behalve de laatste delen van de
Hervarar saga, afgeschreven als historische bronnen, en verloren ze aan aandacht nadat de Nationaal-Romantische connotaties in discrediet raakten na de val van het Derde Rijk. Toch is veel van hun beeldgebruik in het canon van de Vikinggeschiedenis terecht gekomen, waardoor de al modderige wateren van de geschiedenis nog verder vertroebelden. Uit deze periode komen veel van de meest verkeerde en hardnekkige elementen van het beeld van de Vikingen: de helm met horens, de schedelmok, het ritueel van de bloedarend
[2], en andere verhalen.

De archeologie vertelt ons een iets ander verhaal dan de, zoals we gezien hebben, onbetrouwbare geschreven bronnen. Helaas is archeologisch bewijs uit de Vikingtijd relatief zeldzaam. Scandinavische architectuur bestond in deze tijd bijna geheel uit turf, hout en andere natuurlijke materialen, die maar zelden en op beperkte wijze bewaard zijn gebleven. Meestal moeten de Vikingen uit deze periode onderzocht worden via hun objecten, die ons vaak een beeld geven dat haaks staat op het gebruikelijke historische beeld. In York zijn bijvoorbeeld heidense en christelijke voorwerpen bij elkaar gevonden, bewaard in zuurstofarme vochtige klei, wat het gebruikelijke beeld van de twee geloven als gezworen vijanden op losse schroeven zet. Andere vondsten gaan zelfs verder, en we vinden zelfs voorwerpen als het Wolfskruis (rechts), een synthese van het Kruis en de hamer van Donar, dat een wat gemoedelijker niveau van cultuuruitwisseling suggereert dan kerkverbranding en gedwongen bekering, een beeld dat zoals gezegd beter bij de situatie van de Saksen past, dan dat van de Scandinavische volkeren. Een verdere aanwijzing is het type voorwerpen dat gewoonlijk gevonden wordt: geen zwaarden of bijlen, maar kammen, in die tijd gebruikt door zowel mannen als vrouwen, wat het beeld van de vieze, ongewassen Viking tegenspreekt. (Dit stereotype is overigens voor een groot deel gebaseerd op een verkeerde interpretatie van Ibn Fadlan's verslag van zijn verblijf bij de
Rus [3]. De verwijzingen die Fadlan maakt naar 'viezigheid' en 'onreinheid' hebben meer te maken met traditionele islamitische concepten van reinheid, zoals de onreine linkerhand, dan met letterlijke vuilheid. Het is zelfs opvallend voor deze tijd dat de
Rus zich iedere dag wasten, al deelden ze wel de tobbe.) Veel archeologische vindplaatsen uit de Vikingtijd bevatten helemaal geen wapens, maar slechts broches, naalden, munten en andere voorbeelden van het dagelijks bestaan. Andere vondsten uit York laten zien dat de stad in de 10e eeuw al handel dreef met exotische plaatsen als Byzantium, een feit dat wordt ondersteund door grote vondsten van Arabische munten op Gotland. Handel, maar geen plundering.
Maar de echte sleutel tot het begrijpen van misverstanden omtrent de Vikingtijd, is dat de term alleen is gebruikt voor een soort activiteiten, en daarna voor een groep individuen, in plaats van een ras of natie. Waar we kunnen spreken van 'Angelsaksiche cultuur', wat verwijst naar een integrale nationale identiteit, kunnen we niet op dezelfde wijze spreken van 'Vikingcultuur' of 'Vikingkunst'. 'Viking' was slechts een lifestyle voor sommige Scandinaviërs. De term is daarna pas gecompliceerd door de interpretaties uit de 18e en 19e eeuw, die meer zeggen over de culturele ideeën van mensen uit die tijd, dan over Middeleeuws Scandinavië. De mannen die de saga's opschreven waren geen angstaanjagende krijger-dichters, meer gedweeë christelijke boeren, die probeerden in aanraking te komen met een wat heldhaftiger era, en belangrijke vragen over hun samenleving probeerden te beantwoorden. Wanneer we het over 'Vikinggeschiedenis' hebben, bedoelen we eigenlijk een beetje archeologie, gekleurd door de wens van latere generaties om hun voorvaderen als harige helden met gehorende helmen te zien.
We hebben gezien dat onze kijk op de Vikingen gebaseerd is op drie verschillende soorten bronnen: historische teksten, de historiografische interpretaties van die teksten, en het archeologische bewijs. We zien ook dat ons begrip van de Vikingen teveel afhankelijk is geweest van de eerste twee. We hebben de Vikingen benaderd met een visie die al is beïnvloed door de propaganda uit de 8e en 9e eeuw, en de nationalistische en Romantische doeleinden van de 18e en 19e eeuwse 'Noordse Renaissance', die weinig waarde hechtte aan de saaie, maar realistische familiesaga's (ooit omschreven door William Paton Ker als
"among the dreariest things ever made by human fancy"), maar daarentegen een valse geschiedenis construeerde rond de daden en idealen van helden die op zijn minst halfmythisch waren, zo niet geheel fictief. Wanneer we deze lagen van vaak opzettelijke foutieve interpretatie afpellen, zien we een complexere, raadselachtigere en - misschien wel het belangrijkst - iets minder spannende tijd, dan we ons hadden voorgesteld. En dit is vast en zeker de reden voor het krachtig voortbestaan van deze ongefundeerde mythen en stereotypen: de hoorngehelmde krijger-dichter is iets exotisch, indrukwekkend in zijn berserkerwoede, terwijl een handelaar of schaaphoeder al te alledaags is. Onze eigen lust naar romantiek, gevormd door de eeuwen en uitgekristalliseerd door Hollywood, heeft ons verblind tegenover de gewone realiteit van de geschiedenis, en verduisterd wat uiteindelijk een fascinerender en genuanceerder beeld zou zijn van een volk dat zeer getalenteerd was op het gebied van kunst, ambacht, scheepsbouw, navigatie, literatuur, en een schare aan andere vaardigheden. Zoals Else Roesdahl schrijft:
"The picture of a barbaric North is no longer valid. It was created partly on the basis of written sources, and partly on the ideological grounds that European culture, classically inspired and Christian, was ‘superior’." Achter de priesterslachtende boeman ligt een ontwikkeld, beschaafd volk dat na al deze jaren van pseudo-historische verbanning om fatsoenlijk en onpartijdig onderzoek vraagt.